Herkomst
De aardbeiplant
Teeltproces
Aanvoerperiode
Variëteiten
Productiegegevens
Van tuinder tot keuken
Nutritieve eigenschappen
Kwaliteitsmerken

   
   

Veilingen
Andere
VLAM


 

Teeltproces

Rassenkeuze
Planttypes en planttijdstip
Substraatteelt en teelt in volle grond
Bestuiving
Gewasbescherming
Water en bemesting

Rassenkeuze
De belangrijkste criteria waaraan rassen moeten voldoen zijn productiviteit, oogstzekerheid, vruchtgrootte, smaak en houdbaarheid. Ook de gevoeligheid voor ziekten en plagen is een criterium dat aan belang wint. Bij de aardbeien bestaat er een duidelijk onderscheid tussen junidragers en doordragers of de zgn. dagneutrale rassen. De junidragers zijn korte dag planten. Dit wil zeggen dat de bloemen in het najaar bij korter wordende dagen worden aangelegd. Bij de doordragers daarentegen worden de bloemen onafhankelijk van de daglengte aangelegd. Dit impliceert dat de oogstperiode bij de junidragers beperkt blijft tot een 4-tal weken terwijl de oogst van de doordragers over een periode van 4 tot 5 maanden continu doorloopt. Meer dan 95 % van het areaal bij de junidragers bestaat uit de variëteit Elsanta. De overige 5 % wordt ingenomen door o.m. Darselect en Lambada. De belangrijkste variëteit bij de doordragers is Selva.

Planttypes en planttijdstip
Bij de normaalteelt van junidragers wordt gebruik gemaakt van verse planten die in de loop van augustus geplant worden. De oogst van deze planten vindt dan 1 jaar later plaats in de maand juni. Naast deze verse planten bestaan er ook frigoplanten. Deze worden vooral gebruikt voor de substraatteelten, maar ook voor de verlate teelt in volle grond. De plantdichtheid varieert van 4 planten per m² in volle grond tot 10 planten per m² op substraat. De doordragers worden ofwel in de tweede helft van september geplant, wanneer het om verse planten gaat, ofwel zo vroeg mogelijk in het voorjaar, in het geval van frigoplanten. Bij beide plantdata wordt er geoogst vanaf juli tot aan de eerste vorst in het najaar.

Substraatteelt en teelt in volle grond
In België zijn er 2 duidelijk afgescheiden aardbeigebieden met elk hun eigen specifieke teeltsysteem. In Zuid-Limburg en het Hageland wordt er vooral geteeld in de grond terwijl de teelt in de Noorderkempen vooral geschiedt op substraat. In volle grond wordt vooral in de maand juni geplukt. Bij de junidragers kan men een zeer grote oogstspreiding realiseren. Oogstvervroeging is mogelijk dankzij het overkappen van de planten of door ze af te dekken met een geperforeerde folie vanaf februari. Oogstverlating is mogelijk door de planten af te dekken met stro of door te werken met gekoelde planten.
De substraatteelt is een teeltsysteem met veel hogere productiekosten, waardoor de productie afgestemd is op de periodes met hoge prijzen. Dit is vooral in de maanden april en vanaf juli tot de jaarwisseling. Om dit te realiseren wordt er achtereenvolgens geteeld onder glas of onder gestookte tunnels voor een voorjaarsteelt, onder niet gestookte plastiek tunnels of in open lucht voor een teelt in de zomer en opnieuw onder glas of onder gestookte tunnels voor een teelt in het najaar. Voor al deze teelten maakt men hoofdzakelijk gebruik van frigoplanten Elsanta.

Bestuiving

Bestuiving door hommels

Aardbeien zijn zelfbestuivend, hoewel de vruchtzetting soms positief beïnvloed wordt door het voorkomen van verschillende rassen. In alle beschermde teeltsystemen worden overigens bijen of hommels ingezet om de bestuiving te optimaliseren.

Gewasbescherming
Zonder gewasbeschermingsmiddelen kan geen kwaliteitsfruit geteeld worden. Toch is er een duidelijke tendens op het verbod van de breed werkende middelen. Hierdoor ontstaat er op korte termijn een noodzaak om over te stappen op een milieubewuste teelt. De gewasbescherming betreft vooral de bestrijding van een aantal belangrijke parasieten, ziekten en plagen. Dit gebeurt steeds meer op basis van waarnemingen en waarschuwingen.

Water en bemesting
Aardbeien zijn gevoelig aan watertekort en wateroverlast. Zonder een goede beregening en de beschikbaarheid van goed water is het bijgevolg onmogelijk om aardbeien te telen. Op natte percelen kunnen er evenmin aardbeien geteeld worden. Bij de teelten in de grond wordt er vaak stalmest aangebracht voor het planten. Nadien wordt er in de loop van de teelt regelmatig nog wat extra bemest. Meestal gebeurt dit via de bevloeiing die tussen de planten is aangebracht, waardoor de meststoffen onmiddellijk in de wortelzone zitten, met een optimale benutting tot gevolg. Op substraat wordt er bij iedere druppelbeurt een bepaalde hoeveelheid meststoffen meegegeven. De samenstelling van dit mengsel wijzigt wel in de loop van de teelt.

 


                                       VLAM